Omgevingsdienst Veluwe IJssel

Ecologie in eigen huis en tuin: soortenmanagement Apeldoorn

10 april 2020
Ecologie in eigen huis en tuin: soortenmanagement Apeldoorn

In Gelderland kunnen we ons blijven verbazen over de flora en fauna in onze eigen achtertuin. Dat riep bij ons de vraag op: Hoe krijgen omgevingsdiensten nou te maken met de aanwezigheid van al die dieren? Wij spraken met collega John Mulder, ecologisch adviseur bij Omgevingsdienst Veluwe IJssel en verantwoordelijk voor het Soortenmanagementplan voor de regio Apeldoorn.

Hoe ben je bij OVIJ terecht gekomen?
“Bij het uitbesteden van een deel van het ecologisch advies van de gemeente aan de Omgevingsdienst Veluwe IJssel, kwam ik er terecht.
Naast het adviseren voor ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen, omgevingsvergunningen) en kapvergunningen is het adviseren voor het Soortenmanagementsplan gebouwbewonende soorten van de gemeente Apeldoorn een belangrijke taak.

Wat is een Soortenmanagementplan eigenlijk?
“Het Soortenmanagementsplan (hierna SMP genoemd) is een plan ter onderbouwing van een langdurige gebiedsgebonden ontheffing. Dit komt vanuit de Wet Natuurbescherming, in het onderdeel ‘bedreigde soorten’ voor de activiteiten zoals sloop, renovatie en aanbouw. In het plan staat hoe je om dient te gaan als je bepaalde diersoorten aantreft en wordt de uitgangssituatie beschreven. Het gaat in Apeldoorn bijvoorbeeld om de soorten huismus, gierzwaluw en gebouwbewonende vleermuizen. Ook zijn door een intensieve onderzoeksperiode in 2018 zo veel mogelijk verblijfplaatsen in beeld gebracht en is de verspreiding en populatiegrootte vastgesteld om bijvoorbeeld iets over de staat van instandhouding te kunnen zeggen.”

Hoe is het Soortenmanagementplan tot stand gekomen?
“De ideeën en voorbereidingen van dit traject liepen al enkele jaren. Omdat het onderzoek erg duur is, bleef actie uit. In 2017 kwamen de drie grote woningcorporaties zelf bij de gemeente vragen of gezamenlijk tot een oplossing voor een nijpend probleem gekomen kon worden en bleek financiering haalbaar. De corporaties stonden namelijk voor een schier onmogelijke opgave. De energietransitie en het up to date brengen van de isolatiewaarde van gebouwen is op zich al een flinke klus, maar de daarvoor benodigde trajecten van onderzoek en ontheffingen frustreren de plannen naast financieel vooral door vertraging. Kon het ook anders?

In den lande waren mondjesmaat al initiatieven geweest (o.a. in Tilburg) om te komen tot een langdurige gebiedsgebonden ontheffing. De invoering van de Wet Natuurbescherming als opvolger van o.a. de Flora- en faunawet én het feit dat voortaan de provincies het bevoegd gezag werden, boden kansen. Verscheidene provincies zagen mogelijkheid om binnen het wettelijk kader te komen tot dergelijke ontheffingen. Apeldoorn werd een van de pilotprojecten in Gelderland.”

En hoe zit het met de aanwezige soorten in Apeldoorn?
“In 2018 werden de soorten door onderzoek letterlijk op de kaart gezet. De huismus bleek goed vertegenwoordigd en ook heeft Apeldoorn flink wat gierzwaluwen. Bij de vleermuizen werden, zoals verwacht, vooral veel gewone dwergvleermuizen aangetroffen. Van enkele andere soorten werden soms incidentele waarnemingen gedaan. Van de laatvlieger bleek ondanks de flinke inzet nog steeds onvoldoende bekend geworden te zijn. Gedacht wordt nu aan specifiek (telemetrisch) onderzoek naar de soort.”

Wat moet je doen als je deze bedreigde soorten tegenkomt?
“In het SMP is een systematiek bedacht om vast te stellen wat particulieren of bedrijven moeten doen ter compensatie van ingrijpende activiteiten. Bij iedere renovatie die wordt gedaan onder de ontheffing van de gemeente, moeten op zijn minst maatregelen voor alle soortgroepen uitgevoerd worden. Dat dient duurzaam te gebeuren en in principe in de buitenschil van het gebouw. Voor particulieren zijn we coulanter en mag een nestkast ook aan de buitenmuur.”

Waar loop je nog tegenaan?
“Nu het zover is blijken er steeds uitzonderingen te zijn waar het SMP geen antwoord op geeft. In plaats van reguliere gebouwen zoals eengezinswoningen en flats, gaat het dan bijvoorbeeld om schoolgebouwen, zwembaden, bedrijfspanden of boerderijen met veel opstallen. Het coördineren van de monitoring, het beheren van gegevens, de jaarlijkse rapportage richting de provincie, het overleg met corporaties en overige initiatiefnemers, het beoordelen van compensatiemaatregelen en de controle van die maatregelen achteraf, brengen een hoop werk met zich mee. Er is nog genoeg te doen!”